Beschrijving

Weven is een techniek waarmee stoffen met simpele tot zeer ingewikkelde patronen kunnen worden vervaardigd. Het principe is dat horizontale en verticale draden elkaar rechthoekig kruisen en met elkaar vervlochten worden. De draden die in de lengterichting lopen noemt men scheringdraden en de daardoorheen te vlechten horizontale draden de inslag. Afhankelijk van de manier waarop bepaalde scheringdraden worden opgetild, ontstaat het patroon. Door dat optillen komt er een opening tussen de scheringdraden. De inslagdraden worden in deze opening gelegd. Het ambachtelijk weven gebeurt vrijwel altijd met behulp van een weefraam of een weefgetouw. Voor het weven op getouwen is naast vaardigheid heel wat kennis nodig, niet alleen van de werking van het getouw, maar ook van materiaal en bindingswijzen. Het is ook mogelijk om met kaarten te weven. Heel veel textiel is geweven, maar dat gebeurt tegenwoordig machinaal. Het ambacht weven, dus het met de hand door weven vervaardigen van lappen stof, is in Nederland tot een ambachtelijke en kunstvorm geworden. 

Beoefenaars en betrokkenen

In 1974 werd de Federatie Landelijk Weef Kontakt opgericht, als overkoepelend orgaan voor amateurwevers. In 2008 werd dit FLWK anders georganiseerd en kreeg het een nieuwe naam: Weefnetwerk. Deze landelijke vereniging heeft 1500 leden. De Vereniging Weefnetwerk richt zich momenteel speciaal op jongeren en heeft al verschillende projecten uitgevoerd in samenwerking met kunstacademies. Ook textielopleidingen zijn geïnteresseerd.

Geschiedenis en ontwikkeling

Weven is een oude techniek. In Nederland zijn er resten van geweven kleding gevonden bij de opgraving van een veenlijk, ‘het meisje van Yde’. Vroeger werd in de wintermaanden op boerderijen met de wol van de eigen schapen geweven. Voor huishoudtextiel weefde men vlas, dat ook door de boeren zelf verbouwd was. Allereerst was de stof bestemd voor eigen gebruik, maar als er materiaal over was, werd dat geruild of verkocht. Vooral in Twente en Brabant werd op deze manier thuis geweven. In Leiden weefde men ‘laken’, een kostbare wollen stof, en in de veertiende en vijftiende eeuw werd Leiden een belangrijk centrum voor de lakenhandel. De wereldbevolking groeide explosief tussen 1750 en 1850, waardoor de vraag naar kleding enorm toenam. Zo veel kon er niet op de aloude manier geweven worden en er kwam een geweldige omwenteling toen er grote hoeveelheden stof konden worden geweven op mechanische weefgetouwen, in fabrieken. Met de komst van de stoommachine ging het proces veel sneller en werd het goedkoper om stof te weven. Er werden steeds grotere en snellere industriële weefgetouwen ontwikkeld, maar ook deze manier van textielproductie is uit Nederland verdwenen in de jaren zeventig van de vorige eeuw, door de concurrentie van lagelonenlanden. Het weven zelf bleef. Op kleuterscholen leerden kinderen al ‘matjes weven’ en wat later weven op een raampje. De meeste mensen die tegenwoordig weven, doen dat als hobby. De nadruk is nu gaan liggen op kunstzinnig weven. Daarbij wordt ook ‘vreemd’ materiaal gebruikt, zoals koper- en ijzerdraad, rubber en papiergaren.

Contact

Weefnetwerk
Website