Het Netwerk Immaterieel Erfgoed laat de variëteit aan cultuuruitingen zien die erfgoedgemeenschappen, groepen of individuen zelf erkennen als immaterieel erfgoed. Dit immaterieel erfgoed is door henzelf in het Netwerk aangemeld. Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland is derhalve niet verantwoordelijk voor de inhoud van de beschrijving.

Beschrijving

De gamelan maakt deel uit van het muzikaal erfgoed van Indonesië. Het is in Suriname terechtgekomen door de georganiseerde migratie van voornamelijk mensen uit Java vanuit Nederlands Indië naar Suriname, in de periode 1890-1939. Deze migranten, ‘Javanen’ genoemd, moesten de plaats innemen van de geëmancipeerde slaven (1863) en werden als contractarbeiders te werk gesteld op de plantages in Suriname.

Gamelan is de naam voor zowel de instrumenten als de muziek. Het Javaans woord ‘gamel’ betekent ‘slaan’ of ‘kloppen’. Het is een verzameling van 1. percussie instrumenten die bespeeld worden met een ‘tabuh(een knuppel, hamer of stok) of met de hand, en 2. non-percussie instrumenten, waaronder de fluit, viool en citer. In Suriname zijn de non-percussie instrumenten niet gebruikelijk. De zang wordt verzorgd door een ‘pesindhen’ (vrouw) en/of een ‘penggerong’ (man). De gamelan is essentieel voor de beoefening van verschillende vormen van uitvoerende kunsten. Het is nodig voor de muzikale begeleiding bij wayang kulit (schimmenspel met lederen poppen), wayang wong (toneel, waaronder klassieke stukken uit de Panji verhalen, die op de UNESCO Memory of the World-lijst staan), ludruk (ludiek volkstoneel), jaran kepang (paardendans), srimpi (traditionele javaanse dansen), tembang (dichtkunst). Bovendien wordt gamelan gespeeld bij culturele evenementen en op feesten. Met andere woorden, als de gamelan verloren gaat, dan gaan al deze kunstvormen en uitingen van beleven en vieren ook verloren.

Beoefenaars en betrokkenen

In Nederland zijn er acht gamelangezelschappen die op verschillende plekken actief zijn:

  • Bangun Muljo in Delfzijl. Het gezelschap maakt deel uit van de Sociaal Culturele Vereniging Gotong Rojong, opgericht op 15 januari 1982.
  • Bangun Utomo in Hoogezand, opgericht in april 1993.
  • LCN 2000 in Amsterdam, opgericht in 2000.
  • Slamet Budaya in Amsterdam.
  • Waterkant in Rotterdam.
  • Trisno Suworo in Rotterdam. Het gezelschap maakt deel uit van stichting Bebarengan Anggawe Rukuning Rakyat, opgericht in 1998.
  • Bangun Tresna Budaya in Den Haag, voortgekomen uit een gezelschap dat gevormd is in 1999 en in 2007 deze naam formeel heeft aangenomen.
  • Witing Klapa in Den Haag. Dit gezelschap maakt deel uit van stichting Manggar Megar, opgericht in 2004.
  • Deze 8 gezelschappen hebben op 9 december 2018 besloten om een netwerk te vormen, onder de naam ‘Netwerk Surinaams-Javaanse gamelan'.
  • Deze gamelangroepen zijn onontbeerlijk voor de uitvoerende kunsten die ook in Nederland worden beoefend.  

Geschiedenis en ontwikkeling

De geschiedenis van de gamelan in Suriname is onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van de contractarbeid. De gamelan deed z’n intree in Suriname in 1903 toen de Nederlandse Handels Maatschappij, een set gamelaninstrumenten uit Semarang heeft laten overkomen voor de arbeiders van suikerplantage Mariënburg. Op deze suikerplantage werden de allereerste lichtingen contractarbeiders geplaatst. De geïmporteerde gamelan, was erg belangrijk voor de Javanen omdat het hen in staat stelde om vormen van kunst, vertier en vermaak die ze gewoon waren in het land van herkomst ook in Suriname vorm te geven. Hieraan werden zij in de Surinaamse samenleving langzamerhand herkend. Het was belangrijk voor de versterking van hun identiteit. De gamelan werd nagemaakt, omdat één set instrumenten bij lange niet voldoende was. Bovendien stond de plantageleiding de gamelan spelende arbeiders van Mariënburg niet toe om zich vrij te bewegen en met de gamelan naar andere plekken te begeven. Er moest immers worden gewerkt! Voor de contractarbeiders op de andere plantages stond er niets anders op dan de instrumenten na te maken met materiaal dat ze in Suriname konden vinden. Volgens historica Rosemarijn Hoefte (in: De betovering verbroken. De migratie van Javanen naar Suriname en het Rapport -Van Vleuten, 1990) van ‘roestig afvalmateriaal zoals afgekeurde spoorrails’.

Antropoloog en musicoloog Gerrit Dirk van Wengen beschrijft in 1975 in zijn Engelstalige publicatie ‘The cultural inheritance of the Javanese in Suriname’, de Surinaams Javaanse gamelan en constateert hij dat bijna elke Javaanse nederzetting, ongeacht klein of groot, wel één en in sommige gevallen zelfs meer dan één gamelan heeft. Ook schrijft hij dat de structuur heel eenvoudig is vergeleken met de bekendste vormen van gamelan die behoren tot de vorstendommen van Midden-Java. De instrumenten (...) hebben relatief grof bewerkte metalen sleutels die op houten frames liggen en op hun plaats worden gehouden met spijkers. Vervolgens gaat hij uitvoerig in op de bouw van de gong. ‘De gongen die in de gamelans in Suriname worden gebruikt, zijn allemaal van het ‘gong-kemodong’-type. Een Surinaamse gong kemodong bestaat uit een rechthoekige houten resonantiekist. Het bovenoppervlak ... is voorzien van een rond gat. Boven dit gat, opgehangen aan koorden bevestigd aan metalen staven gemonteerd aan de vier hoeken van de doos, is een grote metalen sleutel ... Als de sleutel wordt geraakt, geeft deze een verrassend diepe toon, redelijk dicht bij die van een echte Javaanse gong. Ik heb een gong kemodong met een enkele sleutel gezien, maar ook die met verschillende toetsen boven de gaten ... .die als hoofdgong en één of twee anderen als ‘kempuls’, d.w.z. kleinere gongs met een hogere toon, dienen.’ Het bouwen van de instrumenten gaat gepaard met zwaar handmatig werk. In Suriname worden de platen via een lang proces van snijden en uithameren van ijzer gevormd. In Indonesië middels verhitten en uithameren van ijzer en brons (een legering van koper en tin). De houten onderstellen zijn in Suriname eenvoudig geverfd en versierd, meestal met de naam van het gezelschap. In Indonesië wordt het hout fraai bewerkt tot fraai houtsnijwerk en gekleurd in goud e.a. kleuren. Voor de ‘kendang’ (drum) wordt bamboe en leer gebruikt. Het stemmen van de instrumenten vereist precisiewerk. De instrumenten van Suriname zijn ‘slendro’ gestemd en van Indonesië op ‘pelog’ en ‘slendro’. Met andere woorden, de gamelan van de Javanen in Suriname, heeft een eigen ontwikkeling doorgemaakt en is behalve in verschijningsvorm ook in toon en klanken uniek.

Bloei en terugval in Suriname

De Javaanse contractarbeiders besloten dus zelf gamelaninstrumenten te maken en er was sprake van een ware opleving en groei. Harrie Djojowikromo (2011) beschrijft in zijn publicatie ‘Het ontstaan van de Javaans-Surinaamse gamelaninstrumenten- en cultuur’, dat er sprake was van competitie in positieve zin. Elk dorp wilde een nog mooiere gamelan maken dan de ander en ze deden hun uiterste best om anderen te overtreffen bij hun uitvoeringen. In de jaren 30 van de vorige eeuw, de tijd van de z.g. vrije immigratie, kwamen nieuwkomers binnen met kennis van instrumenten en muziek. Iedereen had zo zijn eigen interpretatie van de muziek en elke gamelangoeroe probeerde zijn eigen stempel te drukken. Het was ook de tijd dat gendhings (liederen) werden gecomponeerd. Djojowikromo stelt dat het ritme van de composities is beïnvloed door de Hindoestaanse (bhajan)- en Afro Surinaamse (kawina) muziek. Overal werd gamelan gespeeld, niet alleen op feesten, maar ook op straat door straatmuzikanten. Aan de hand van herinneringen van informanten en zijn eigen waarnemingen vanaf de jaren 60, geeft Harrie Djojowikromo bij benadering, de volgende cijfers over de groei en de afnemende trend van de gamelan in Suriname:

  • 1914 -1918: 5-6 ensembles in district Commewijne: plantages Zoelen tot Wederzorg en Johan Margaretha
  • 1918 – 1930: 15-20 ensembles, meerdere plantages in Commewijne
  • 1930 – 1960: 90-95 ensembles, op nagenoeg alle plantages in Commewijne, Moengo, Clevia, Kwatta, Leiding, en plaatsen in de districten Suriname, Saramacca, Coronie en Nickerie
  • 1980 – 1990: 12 actieve ensembles en 4 op afroep, Meerzorg, Moengo, Tamanredjo, Lelydorp, Saramacca, Blauwgrond, Mariënburg, Nickerie, Domburg en Dijkveld periode
  • 1980 - 1990 2002 – 2008: 8 actieve ensembles in de plaatsen zoals in voornoemde periode

Hoe het staat met de gamelan in 2019, heeft Hariëtte Mingoen aan de hand van gesprekken met 4 gamelansleutelfiguren (3 in Suriname en 1 in Nederland) in februari en maart 2019, vastgelegd. Er zijn nog maar 5 ensembles, waarvan 3 actief.

  • District Commewijne: Jagtlust, specifiek voor Jaran Kepang; Mariënburg set instrumenten, geen spelers; Tamaredjo ‘piki piki plee’ van veelal oude spelers District Saramacca: set instrumenten, geen spelers
  • District Nickerie: geen
  • Hoofdstad Paramaribo (Blauwgrond): Bangun Wirama
  • District Wanica (Lelydorp, wijk Desa): Purwo Laras; (Dijkveld): Tresno Budoyo

Surinaams Javaanse gamelan in Nederland

Met de grote migratiestromen vlak voor en na de onafhankelijkheid van Suriname in 1975, kwamen ook Javanen mee. Mede door het spreidingsbeleid kwamen zij terecht op verschillende plekken in Nederland. Op deze plaatsen ontstonden sociaal-culturele organisaties. Door de blijvende contacten met Suriname, was het mogelijk om onderdelen voor gamelaninstrumenten te importeren en ze vervolgens in elkaar te zetten. Ook zijn er een aantal personen die de instrumenten in Nederland maakten. In 1970 werd, volgens Harrie Djojowikromo, de eerste gamelangroep gevormd in Rotterdam. Bangun Mulyo van Delfzijl begon in 1975 en circa 1978 was er een groep gevormd in Nieuw Beekvliet, gemeente Sint Michielsgestel. Daarna kwamen ook gezelschappen op in Groningen, Hoogezand, Amsterdam, Den Haag en Alkmaar. De gamelangroep van Groningen is in 2018 opgeheven en van Alkmaar in 2005. In Groningen was vergrijzing de reden tot opheffing. In Alkmaar viel de groep uiteen wegens gezinsvorming en carriere van de toen nog jonge spelers. 

De terugval in Suriname kan worden toegeschreven aan een combinatie van interne (binnen de Javaanse gemeenschap) en externe (Surinaamse samenleving m.n. beleidsomgeving) factoren. Tot de interne factoren behoren o.a.: socialisatie: Javaanse taal en cultuur staan niet centraal in de opvoeding; invloed van dogmatische religieuze stromingen: culturele uitingen zijn ‘haram’ of heidens; politieke gebeurtenissen die verdeeldheid binnen Javaanse gemeenschappen en druk op de sociale cohesie tot gevolg hadden; geen onderlinge contact tussen culturele organisaties; wegvallen van traditionele infrastructuur; intrede van moderne vormen ten koste van traditionele uitingen van feesten en vieren; negatieve beeldvorming rond de Surinaams-Javaanse gamelan ten opzichte van de Indonesische gamelan; weinig muzikale expertise voor verdere ontwikkeling en vernieuwing; aderlating in kennis en vaardigheden als gevolg van binnenlandse en internationale migratie.

Het beleid voor behoud van cultureel erfgoed is in Suriname voornamelijk gericht op institutionele versterking van het overheidsapparaat (inventarisatiecapaciteit, website) en op materieel erfgoed (restauraties van gebouwen). Muziekonderwijs: is gericht op muzikale vorming en er is weinig appreciatie en aandacht voor volksmuziek. Conclusie: Er is reden tot grote zorg dat de gamelan verloren gaat in Suriname. Ook in Nederland worden deze zorgen gedeeld, omdat ook hier sprake is van vergrijzing onder de beoefenaars. Als de gamelan verloren gaat, gaan ook andere vormen van uitvoerende kunsten waar de gamelan een integraal deel van uitmaakt, ook verloren.

Contact

Stichting Comite Herdenking Javaanse Immigratie
Vaartdreef, 126
2724 Zoetermeer
Nederland