Voor het ontstaan van het carbidschieten moeten we terug naar de periode rond 1900. Op het platteland, waar elektriciteit destijds schaars was, werd carbid voor verschillende doeleinden gebruikt. In de eerste plaats voor verlichting, in een carbidlamp, maar ook bij het lassen. Het duurde niet lang voordat men ontdekte dat je met carbid en een melkbus ook daverende knallen kon produceren.
In de jaren rond de Tweede Wereldoorlog raakte het carbidschieten in zwang tijdens feesten en bruiloften, maar ook bij het vieren van oud en nieuw. Schoonheim: “Eigenlijk raakte het carbidschieten toen verbonden met een stuk geschiedenis dat al veel ouder is. Namelijk de van oorsprong Germaanse joelfeesten rond de winterwende , waarbij men met vuur kwade geesten verdreef. Het carbidschieten, maar in bredere zin ook het afsteken van vuurwerk, gaat feitelijk terug tot die traditie.”
Omstreeks 1975 steeg de populariteit van carbidschieten enorm en groeide het uit tot een sociale activiteit. Er ontstonden carbidschietverenigingen en -wedstrijden, waarbij deelnemers probeerden de deksel van de melkbus zo ver mogelijk weg te schieten. In de jaren 1980 is de stalen deksel uit veiligheidsoverwegingen vervangen door een kunststof bal, maar nog altijd vinden georganiseerde carbidschietevenementen plaats, zoals het Open Drents Kampioenschap.
Bij een goed carbidschot komen nog heel wat dingen kijken, legt Max Woltinge van stichting Carbidschieten Drenthe uit: “Het geheim schuilt in de juiste verhouding carbid en water. Maar ook in de wachttijd om de juiste hoeveelheid gas te krijgen. Daarnaast is de hardheid van de bal belangrijk. Een te harde bal krijg je moeilijk in de bus en kan eruit rollen nog voordat je een schot hebt gedaan.”