Over

Om molens te kunnen laten draaien, zijn molenaars nodig. Er is een uitgebreide opleiding voor. De molenaar moet inzicht hebben in de techniek van de molen, in het weer en in allerlei aspecten van veiligheid die belangrijk zijn voor het werk en onderhoud. Het werk van een molenaar is het laten draaien van de molen, om te malen, te zagen, te pompen of olie te slaan. De molenaar regelt de snelheid van het draaien van de wieken bij een windmolen door molenzeilen op de wieken te bevestigen. Een optimale positie wordt verkregen als de molen recht in de wind gedraaid wordt. Dit wordt kruien genoemd en kan met een kruirad gedaan worden. Bij een watermolen moet de molenaar goed in de gaten houden dat het waterrad, dat zorgt voor de aandrijving, steeds blijft draaien. De stand van het water en de stroming zijn daarbij van belang. Naar het type waterrad kunnen vier soorten watermolens worden onderscheiden. Het beroep van molenaar werd meestal van vader op zoon overgedragen.

Gemeenschap

Nederland telt nog maar een veertigtal beroepsmolenaars, maar meer dan duizend actieve vrijwillige molenaars. Een groep molenliefhebbers startte tweede helft vorige eeuw een opleiding tot vrijwillige molenaar. Uit dit initiatief is het Gilde van Vrijwillige Molenaars voortgekomen met ruim 2100 leden. Een partner is de Vereniging De Hollandsche Molen, opgericht in 1923. Deze vereniging verzorgt onder meer de examens voor de kandidaat-molenaars. Een veertigtal molenaars is verenigd in Het Ambachtelijk Korenmolenaarsgilde. In Friesland verzorgt het Gild Fryske Mounders de opleiding en de examens voor de vrijwillige molenaars in de provincie Friesland.

Geschiedenis

Voor 1200 waren de eerste (water)molens op het grondgebied van ons huidige land werkzaam. Rond 1200 kwam de windmolen, de standerdmolen, voor het malen van graan in gebruik. Vanaf het begin van de vijftiende eeuw waren er ook molenaars actief op molens die werden gebruikt voor de bemaling van polders. Vanaf de zeventiende eeuw, de Gouden Eeuw voor Holland, nam het aantal molens enorm toe en daarmee natuurlijk ook het aantal molenaars. Het hoogtepunt lag in de tweede helft van de negentiende eeuw, met ruim 9000 molens. Voor de ontwikkeling van de landbouw en de nijverheid hebben de molens een essentiële rol gespeeld, maar ook voor het drooghouden van de polders waren molens onmisbaar. Met de opkomst van de mechanische aandrijving kromp het molenbestand in Nederland snel. Tot aan de Tweede Wereldoorlog kon de molen zich in kleinschalige bedrijfssituaties nog redelijk handhaven. Zo konden boeren nog tot ver in de twintigste eeuw graan laten malen op de dorpsmolen. Na de Tweede Wereldoorlog zorgden de technische en economische veranderingen ervoor dat vrijwel alle molens tot stilstand kwamen en daarmee leek het beroep van molenaar geheel te verdwijnen. Tegenwoordig houden beroeps- en vrijwillige molenaars de molens draaiende.

Organisatie

Gilde van Vrijwillige Molenaars
Molenkade 8
1829 HZ Oudorp
Website