Het Netwerk Immaterieel Erfgoed laat de variƫteit aan cultuuruitingen zien die erfgoedgemeenschappen, groepen of individuen zelf erkennen als immaterieel erfgoed. Dit immaterieel erfgoed is door henzelf in het Netwerk aangemeld. Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland is derhalve niet verantwoordelijk voor de inhoud van de beschrijving.

Beschrijving

Van oudsher wordt leder gelooid door een huid bloot te stellen aan looistoffen die in plantaardig materiaal voorkomen. Deze looistoffen zorgen ervoor dat een bederfelijke, rauwe huid wordt getransformeerd tot een sterk, duurzaam en uiterst bruikbaar materiaal.

Bij het traditioneel leerlooien worden rauwe huiden samen met vermalen, plantaardig materiaal in een kuip gelegd. Door water aan deze kuip toe te voegen kunnen de looistoffen uit het plantaardig materiaal langzaam in de huid doordringen en zich hieraan hechten. De looistoffen maken de eiwitten waaruit de huid is opgebouwd onoplosbaar en dit proces noemt men: looien. Dit traditionele kuip-looien kost veel tijd. Het kan wel 12 maanden duren om van een verse huid tot een mooi stuk leder te komen.

Er zijn vele bomen en planten die van nature een hoge hoeveelheid looistof in zich dragen en daarmee geschikt zijn om leder mee te looien. Traditioneel werd er voornamelijk inheemse vegetatie gebruikt in de leerlooierij, omdat dit simpelweg het makkelijkst voor handen was. Omdat elke boom of plant een eigen set aan kleuren en kwaliteiten meegeeft aan het leder, is hierdoor een reflectie van het landschap waaruit het leder is voorgekomen terug te zien in het materiaal. Dat een huid is verduurzaamd met vegetatie die hem tijdens zijn leven heeft omringt, heeft in mijn ogen iets heel existentieels! Het gaat over een plaats waar geleefd is en hoe dit een identiteit genereerd.

In de moderne leerlooierij worden geen lokale looistoffen meer gebruikt. Daarmee is de relatie tussen het leder en het landschap verbroken. Met het leder dat ik looi probeer deze relatie weer zichtbaar en voelbaar te maken. Hiervoor struin ik het hedendaagse Hollandse landschap af en oogst hier lokale vegetatie uit. De looistof die ik uit deze schorsen, bladeren, hout, wortels, gallen en schillen haal, gebruik ik om huiden mee te looien. Ik onderzoek methoden en grondstoffen die men in het verleden gebruikte en biedt hier met nieuwe kennis en hedendaags beschikbare grondstoffen en frisse kijk op.

Beoefenaars en betrokkenen

Het traditioneel leerlooien met lokaal plantaardig materiaal is in Nederland een uitgestorven ambacht. Om deze in vergetelheid rakende techniek levend te houden ben ik mijn hierin gaan specialiseren. Hiervoor heb ik onder andere stage gelopen bij de laatste Spar leerlooierij te wereld, heb vele archieven uitgeplozen en met deze opgedane kennis en kunde looi ik nu in mijn eigen atelier leder. Van dit leder maak ik objecten en autonome kunst waarmee ik het publiek de schoonheid van het materiaal en de techniek te laten zien.

 

Geschiedenis en ontwikkeling

Het looien van leder wordt in vele literatuur als de mens zijn eerste ‘productie-proces’ aangemerkt. Vergeleken met de huidige looimethoden gebeurde dit toen natuurlijk op uiterst primitieve wijze, mede veroorzaakt het rondzwervend bestaan dat men toen leidde. Het gebruik van dierenhuiden heeft een belangrijke rol gespeeld in onze evolutie als mens.

Ten tijde van de Neolithische revolutie hebben we onze looitechnieken verder kunnen ontwikkelen. We bleven op 1 plek wonen en er was tijd en ruimte om ons te specialiseren in veeteelt en akkerbouw. Het gebruik van dierenhuiden bleef een belangrijke rol spelen in het bestaan van de mens en we werden ook steeds vaardiger in het looien. Mede door kennis die zich via handelsroutes verspreidde. Het looien van leder maakte onderdeel uit van de werkzaamheden op de boerderij. Het was vaak de taak van de vrouw en lag in het verlengde van het bereiden van de maaltijd. De huiden die overbleven na de slacht werden door haarzelf gelooid. Waarschijnlijk voor eigen gebruik. Pas toen er handel in de huiden werd gedreven en er dus ‘productie’ moest worden gedraaid, was het de man die deze taak op zich nam.

Tijdens het ontstaan van het gilden-systeem was daar ook het gilde van de leerlooier. Dit was een vrij opportunistische bedrijfsvoering waarbij gebruik werd gemaakt van restmateriaal van de slager (huiden) en van reststromen uit het nabijgelegen landschap (schorsen). Ondanks dat de looiers geen graag geziene gasten waren in de stad; hun bedrijf veroorzaakte een behoorlijke stankoverlast, deden zij het als leerlooigilde goed. Ze hadden een rijk gilde met redelijk wat aanzien. Al blijft het erg gissen hoe de looier in zijn broodwinning voorzag. Het grootste deel van zijn kapitaal zat namelijk ‘in de grond’. In een put in de grond werden de huiden gelegd, met daartussen een flinke laag gemalen schors en het geheeld werd afgevuld met water. Daar bleven de huiden ongeveer 9-12 maanden totdat zij volledig gelooid waren. Het duurde dus erg lang voordat een huid eindelijk verkocht kon worden en er geld op de plank kwam. Om een looierij te beginnen was veel kapitaal en tijd nodig. Het waren dan ook vaak familie bedrijven, die van vader op zoon overgingen.

De vraag naar leder was groot, het werd voor vele doeleinden gebruikt. Om aan deze grote vraag te voldoen had de leerlooier een continue stroom van looistoffen nodig. Hiervoor ontwikkelde zich vanaf de 13e eeuw een gerichte ‘bosbouw’ techniek ten behoeve van het winnen van looistof voor de looierij. De Nederlandse zandgronden waren erg geschikt om eiken op te laten groeien. Omdat de eik veel looistof in zich draagt werd het Hollands leder dus voornamelijk met eikenlooistof gelooid. Hierdoor ontstond een nieuw ambacht: dat van de eekschiller. Dit waren veelal arme seizoenarbeiders die van eind April tot aan Sint Jan de eikenbossen in gingen om schorsen van de bomen te schillen. Deze schorsen werden gedroogd en overgebracht naar de Runmolen (ofwel eekmolen). In deze molen werden de schorsen tot schorsmeel vermalen en naar de leerlooierij gebracht. Het landschap en de lokale infrastructuur waren goed aangepast aan de leerlooierij.

Het leerlooien was in de 18e eeuw de op 1e na grootste industrie van Europa. Met name door verschillende oorlogen en de flinke bevolkingsgroei was de vraag naar leder hoog. Dit betekende dus ook dat er veel looistof nodig was. Tijdens de hoogtij dagen van de leerlooierij was tot wel 70% van al het bos in Nederland Eikenhakhoutbos.

Omdat het voor de leerlooier een groot bedrijfsrisico was om zoveel van zijn kapitaal in de grond te hebben, werd er veel geëxperimenteerd met technieken en grondstoffen om het looiproces te kunnen versnellen. Aan het einde van de 19e eeuw doet uiteindelijk chroom haar intrede als looistof. Deze looistof en de bijbehorende veranderende looimethoden versnelde het proces aanzienlijk. (van 12 maanden naar slechts enkele weken!) Het is dan ook heel begrijpelijk dat de plantaardige looistoffen toen uit de looierijen verdwenen. Met de snel teruglopende vraag naar plantaardige looistoffen werden ook de eikenbossen omgezet en werden de runmolens gesloopt of omgebouwd tot graanmolen.

Het traditioneel plantaardig leerlooien raakte snel in vergetelheid… men wilde het nieuwe chroom gelooide leder!

Zowel het materiaal leder veranderde hierdoor aanzienlijk, maar ook de sporen die de leerlooierij door de eeuwen heen in het landschap had gemaakt werden uitgewist.

Tegenwoordig wordt 1-2% van de wereldwijde lederproductie met plantaardige looistoffen gelooid. Hierbij wordt praktisch geen gebruik meer gemaakt van lokale grondstoffen. Vele hedendaagse looistoffen komen uit tropische oorden. Het Hollandse landschap is dus niet meer terug te zien in het leder dat hier wordt gelooid!    

Contact

Taxidermic Laboratory by Amber Veel
A.V.H. Destreelaan 117
1834EC Sint Pancras
Nederland
Website