Immaterieel Erfgoed & Ecologische Duurzaamheid

Werken aan een ecologisch- en klimaatrobuuste toekomst

De noodzaak tot het duurzaam beheren van onze natuurlijke omgeving is een van de grote thema’s van onze tijd. Dat zien we terug in politieke partijprogramma’s, het maatschappelijk debat en in diverse publicaties.

Zo roept voormalig Rijksbouwmeester Floris Alkemade ons dringend op om ‘in beweging’ te komen en de veranderingen die nodig zijn om de problematiek op gebied van afnemende biodiversiteit, klimaatveranderingen en waterbeheer onder ogen te zien (De toekomst van Nederland, 2020: 16). Het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland heeft, mede vanuit deze maatschappelijke urgentie, ecologische duurzaamheid gekozen als focus van één van de onderzoeksgebieden voor de komende beleidsperiode. We richten ons hierbij op vormen van erfgoed die bijdragen aan biodiversiteit en een duurzame omgang met onze omgeving. Daarnaast kijken we naar mogelijkheden waarmee beoefenaars, zo nodig, hun immaterieel erfgoed zelf kunnen verduurzamen. Betrokken erfgoedgemeenschappen willen we ondersteunen in het uitoefenen, borgen en mogelijk verspreiden van hun erfgoed. We zijn van mening dat immaterieel erfgoed een effectieve en een, vaak onderschatte, hefboom kan zijn om ecologische duurzaamheid te bewerkstellingen. Onze tweede doelstelling is de immaterieel erfgoedgemeenschappen mee te nemen in een proces van verduurzamen van hun erfgoed.  

Immaterieel erfgoed, oftewel ‘levend erfgoed’, heeft vele kwaliteiten: het kan mensen verbinden met elkaar, met de woonplaats en met de omgeving – ook de natuurlijke omgeving. Het samen uitvoeren en beleven van immaterieel erfgoed brengt vreugde, houdt kennis levend, verbindt ons met het verleden en slaat een brug naar de toekomst. Kan het ook helpen deze toekomst duurzamer te maken? In een tijd waarin wij ons verhouden tot klimaatverandering en tevens de biodiversiteit schrikbarend terugloopt, is dat een belangrijke vraag. Hoewel we misschien geneigd zijn oplossingen voor deze uitdagingen te zoeken in geavanceerde technologische ontwikkelingen, zullen we in de komende beleidsperiode (2021-2024) onderzoeken wat, op dit terrein, de bijdrage is - of kan zijn - van immaterieel erfgoed. 

Kan immaterieel erfgoed ook helpen de toekomst duurzamer te maken?

Daarmee verschuiven we de aandacht van grootschalige en technische benaderingen naar het meer lokale en culturele domein. 'Intieme kennis' noemt UNESCO dit (UNESCO: Changing minds, not the climate 2021, 3). Hierin wordt gepleit om, waar puur wetenschappelijke kennis de natuur vaak objectificeert, we ook kunnen focussen op lokale vormen van kennis, die meer oog hebben voor specifieke omstandigheden. Deze (vaak) lokale kennis en vaardigheden – het overzicht van het ecosysteem van de heide die de herder met zijn kudde begraast, de vaardigheden van de ‘graslandbevloeiers’ die waterstromen kanaliseren volgens een traditioneel systeem, of de heggenvlechters die struiken in een heg vlechten tot een dichte, ondoordringbare afscheiding wat de biodiversiteit versterkt  – is vaak maar bij een beperkt aantal mensen bekend en wordt niet altijd serieus genomen. Daarbij zijn er ook vormen van immaterieel erfgoed met een duurzame insteek, die ook bij het Kenniscentrum onbekend zijn. Verdienen deze vormen niet een grotere bekendheid en verspreiding? Niet slechts onder een breed publiek, maar juist ook bij gemeentelijke, provinciale of landelijke beleidsmakers, die gebruik kunnen maken van de betreffende kennis en vaardigheden?  

Tenslotte is de vraag relevant of betrokkenheid bij bepaalde vormen van immaterieel erfgoed ook uitmondt in een levenshouding, die in zijn algemeenheid meer respect heeft voor de krachten van de natuur. Dat je leert ‘meebewegen met het landschap’, zoals graslandbevloeier Eric Brinckmann het noemt. Ook UNESCO pleit er in haar klimaatnotitie voor het belang van de eerdergenoemde ‘intieme kennis’, omdat die ertoe zou bijdragen te erkennen dat er meer actoren zijn dan de mens.  

Omdat bij immaterieel erfgoed naast praktische, sociale en economische aspecten ook emotionele aspecten een centrale rol spelen, biedt dat bijzondere kansen voor het creëren van verbondenheid met de omgeving en het dragen van verantwoordelijkheid voor een duurzame toekomst. Bijvoorbeeld door emotioneel mede-eigenaar te worden van land.

Wat willen we onderzoeken?

In de komende beleidsperiode zullen we nagaan welke vormen van immaterieel erfgoed een bijdrage leveren aan de duurzame omgang met de natuur om ons heen. Aard en effect van deze tradities, vaardigheden en gebruiken gaan we achterhalen en documenteren. Hoe kunnen de gemeenschappen ondersteund worden in hun activiteiten en in het borgen van hun erfgoed voor de toekomst? En hoe kunnen zij als inspiratie fungeren? De thema’s aan de hand waarvan we deze vragen behandelen zijn: dier en duurzaamheid, water en land, stadslandbouw en bomen. Daarnaast wil het Kenniscentrum onderzoeken hoe gemeenschappen hun erfgoed zelf kunnen verduurzamen zodat ze ook in de toekomst kunnen blijven bestaan.

Hoe willen we dat doen?

Om deze vragen te beantwoorden zal veldwerk worden gedaan; gemeenschappen bezocht, en hun erfgoed besproken en onderzocht. Voor de verdieping en uitwisseling van kennis worden diverse netwerken ontwikkeld, zowel met diverse wetenschappers als met collega-erfgoedinstituten, die o.a. in expertmeetings en conferenties hun bevindingen zullen presenteren.

Wat gaan we opleveren?

Het Kenniscentrum zal diverse producten ontwikkelen voor de erfgoed gemeenschappen, die hen in hun borgingsprocessen ondersteunen (zie Onderzoeksagenda hieronder). Het Kenniscentrum wil zich daarnaast inspannen ‘groene’ vormen van erfgoed een breder podium te geven en o.a. beleidsmakers te informeren over en interesseren voor de positieve bijdragen die deze vormen van immaterieel erfgoed kunnen leveren aan bewustwording rond duurzaamheid, verantwoordelijkheidsgevoel, biodiversiteit en een klimaatrobuust landschap. Daarbij hoort ook aandacht voor een ‘vergroening’ van het Netwerk Immaterieel Erfgoed (en later de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland).  

 

De mens als bever

Om inzicht te krijgen in bovengenoemde vragen zijn het afgelopen jaar gesprekken gevoerd met een aantal erfgoedgemeenschappenEen voorbeeld van immaterieel erfgoed met een duurzame impact is de traditionele duurzame landbouwtechniek van de ‘graslandbevloeiing’. Deze bijna vergeten methode wordt al sinds de middeleeuwen overgedragen van boer op zoon of dochter, en tegenwoordig ook van terreinbeheerder op terreinbeheerder. Het gaat om een uitgekiend systeem waarbij graslanden bevloeid worden door water uit rivieren, beken en bronnen. Hierbij wordt gebruikgemaakt van minieme hoogteverschillen, waarin ‘gestuwd water’ wordt verdeeld via sloten en stuwen, net als de bever met zijn dammensysteem doet. Zo blijft over een groot terrein de gewenste waterstand op peil en wordt ingespeeld op veranderingen in weer en klimaat. Doordat met het water kalk en mineralen in de bodem terechtkomen, ontstaat een grasland vol kruiden met een rijk bodemleven, wat weer insecten en vogels aantrekt. Het levert bovendien een hoogwaardige hooiopbrengst op. Eén van de gebieden waar (naast bij voorbeeld de Pelterheggen in Brabant) graslandbevloeiing wordt toegepast is landgoed Het Lankheet, onder Haaksbergen.

Eric Brinckmann, vertegenwoordiger van de Stichting Waterpark en Veldwerkcentrum Het Lankheet, vertelt: “Wat je doet, is meebewegen met het landschap. Je volgt het water. Iedere week is er weer een andere situatie waarop je moet inspelen. Zo verzorgen we het landschap, en zorgt het landschap weer voor ons. Er werken dertig vrijwilligers bij de stichting. Samen zetten we ons in voor het herstel van de biodiversiteit en de creatie van een klimaatrobuust landschap, dat past bij natuurinclusieve landbouw. De vrijwilligers voelen zich verantwoordelijk en betrokken; ze voelen zich emotioneel mede-eigenaar van het landschap.’ Het versterkt de waardering voor de natuur.

Graslandbevloeiing is een voorbeeld van een respectvolle omgang met de natuur, waarbij de mens zich meer als partner opstelt van het landschap, dan als heerser. Het kan bovendien bijdragen aan een verantwoordelijke duurzame grondhouding, een vorm van ‘ecoburgerschap. 

Ecoburgerschap 

Er zijn ook vormen van immaterieel erfgoed die niet, of ten dele, een duurzame techniek inbrengen zoals hierboven geschetst, maar wèl bijdragen aan een waardering van de natuurlijke omgeving, en op een op duurzaamheid gerichte levenshouding in brede zin. Het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland gebruikt in zijn onderzoek het concept van ‘Eco- of EnviroCitizenship’ ofwel ‘groen- of eco-burgerschap’, dat verwijst naar een verantwoordelijk, proactief en omgevingsbewust gedrag van individuen en groepen, waarmee ze zich zowel privé als in de openbare ruimte inzetten voor een duurzame levenswijze (Jagers et al. 2014). Een ander concept is dat van de ‘citizen scientist’, de ‘burger-wetenschapper’, die met zijn kennis en ervaring een waardevolle bijdrage kan leveren op diverse terreinen. ‘Urban gardening’ – het verbouwen van voedsel en groen in, om en voor de stad – is een voorbeeld van een sociale praktijk waarbij burgers hun kennis inbrengen en samen werken aan een groene stad en duurzame voedselproductie. Dit heeft zowel een ecologische als een sociale impact, die bijdraagt aan EcoCitizenship. Immaterieel erfgoed zoals recreatief wadlopen, of vogels kijken (dat culmineert in de Nationale Tuinvogeltelling die de Vogelbescherming sinds 2003 jaarlijks organiseert), zijn voorbeelden van tradities die zowel kennis opleveren én kunnen bijdragen aan de waardering en emotionele verbondenheid met de natuur, en daarmee aan een op duurzaamheid gerichte levenshouding (zie ook Ganzevoort 2021: 200).

Oude kennis en nieuwe vormen 

Opvallend is daarbij, dat verschillende tradities de laatste tijd al effectief door de beoefenaren zijn aangepast, door de duurzaamheidscomponent sterker naar voren te brengen. Het aanvankelijke puur praktische nut, vaak gericht op het ‘oogsten uit of ’gebruiken van’ de natuurlijke omgeving, lijkt plaats te hebben gemaakt voor een ondersteuning van die omgeving. Zo vindt oude kennis en kunde nieuwe toepassingen die, naast een praktisch nut, ook gericht zijn op het ecologisch verduurzamen van de omgeving. Een voorbeeld vormen imkers, die bijen hielden om de honing, maar zich nu ook inzetten om de biodiverse omgeving van hun bijen te ondersteunen, bij voorbeeld door bloemen aan te planten. Een ander voorbeeld bieden de Friese beschermers van kievitsnesten, waar ze aanvankelijk de eieren zochten, totdat de teruglopende kievitspopulatie dit onverantwoord maakte. Ook de kleine beroepsgroep van riviervissers is zich bewust van de teruglopende biodiversiteit. Hij zet zijn kennis van de onderwaterwereld in, op verzoek van diverse instanties (zoals Imares), om veranderingen in de visstand te monitoren, of vissen over te zetten in rivieren waar de doorstroming verhinderd wordt door sluizen. Bij de energiecentrale in Maurik werkt het bedrijf Frans Komen & zoon bijvoorbeeld aan het project ‘Paling over de dijk’, waardoor de palingen door kunnen zwemmen naar de Noordzee, en verder naar hun paaigronden in de Sargasso zee.  

Zo vindt oude kennis en kunde nieuwe toepassingen die, naast een praktisch nut, ook gericht zijn op het ecologisch verduurzamen van de omgeving.

Ook verschillende vormen van het vergoenen van de stedelijk omgeving kunnen in dit licht worden bekeken. Diverse vormen van stadslandbouw - het hebben van volkstuinen, of het beheren van stadsboomgaarden of tuinen met als doel eigen groenten of fruit te kweken  heeft net als vroeger een praktisch doel: voedsel verbouwen. Maar daar is - in sommige gevallen - tegenwoordig een breder doel mee verbonden geraakt, namelijk het duurzaam willen produceren en consumeren van voedsel. Ook de populariteit van lokale producten en ‘boerenmarkten’ hoort hierbij.  

Een laatste voorbeeld tenslotte, van een nieuwe invulling van een oude verbondenheid, is gebruiken rond bomen. Deze ‘koning der planten’ stimuleerde van oudsher de religieuze, mythologische en folkloristische verbeelding (Keulartz 2020: 57). Bijzondere, soms als heilig beschouwde bomen dienden als middelpunt van het gemeenschapsleven, en lijken deze plaats opnieuw in te nemen in diverse vormen van immaterieel erfgoed. Voorbeelden hiervan zijn diverse nationale en internationale boomverkiezingen, Nationale Boomfeestdag en nationale bomen-plant dagen. Een ander lokaal voorbeeld: De nieuwe gebruiken die zich ontwikkelen rond de koorts- of lapjesboom van Overasselt. Deze gebruiken lijken een weerspiegeling van een hernieuwde invulling van onze verbondenheid met de natuur, en de rol van de boom daarbinnen.  

Het zichtbaar maken van deze vormen van erfgoed kan de beoefenaren ondersteunen, andere erfgoedgemeenschappen inspireren en het draagvlak op bestuurlijk terrein vergroten. Immaterieel erfgoed, zo blijkt dan duidelijk, is dynamisch: het wordt steeds opnieuw vormgegeven in wisselwerking met de omgeving en veranderende maatschappelijke omstandigheden. Het vindt in het heden plaats, heeft relaties met het verleden, maar is vooral te begrijpen als ‘practice of future making’, zoals Rodney Harrison en anderen recentelijk voor de hele erfgoedsector hebben laten zien (Harrison et al. 2020). Het betreft het doorgeven van voor de toekomst relevant erfgoed. 

Bewustwording en beleidsmakers 

De positieve bijdrage die immaterieel erfgoed kan leveren bij het vergroenen en verduurzamen van onze natuurlijke omgeving is echter nog relatief onbekend, ook bij beleidsmakers, zo stellen Sandra Fatonić en Linde Egbert, verbonden aan respectievelijk de Technische Hogeschool in Delft en de Universiteit van Amsterdam: 

‘Heritage is also a valuable source of knowledge and scientific information, wich can be ues to inspire and inform environmental and climate change management and politics’ (Fatorić et al. 2010, 1). Daar voegen zij aan toe: ‘environmental benefits of cultural heritage are poorly considered in decision making’ (ibid., 6).

Het aanvullen van deze lacune is één van de doelen voor de beleidsperiode 2021-2024 van Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland. Veel immaterieel erfgoed kan immers door specifiek beleid extra ondersteund worden en tegelijkertijd als instrument voor beleidsdoelen dienen.

Gemeenten kunnen gebruikmaken van de Omgevingswet die in 2022 in werking treedt, om bepaalde vormen van erfgoed te ondersteunen: in het omgevingsplan kunnen bijvoorbeeld bepaalde delen van het cultuurlandschap aangemerkt worden als waardevol. Voor het rooien van heggen kan dan een vergunning worden vereist – en indirect het immaterieel erfgoed van het heggenvlechten ondersteund worden (Altenburg & Elpers 2020, 14).  

Gemeenten zelf zijn erbij gebaat hun inwoners te betrekken bij de vergroening van het leefklimaat. Niet alleen omdat ze zelf kunnen profiteren van de kennis en kunde van haar inwoners, die als citizen scientist, ‘burgerwetenschappers’, veel kennis kunnen inbrengen. Bovendien wordt vergroening van gemeente of stad algemeen als een verhoging van het woongenot ervaren, terwijl het samen werken aan of beheren van een groenproject de sociale cohesie vergroot, en het verantwoordelijkheidsgevoel deze omgeving goed te beheren versterkt. Daarnaast kunnen specifieke lokale vormen van immaterieel erfgoed de lokale trots en identiteit versterken. 

In brede zin lijkt onderzoek uit te wijzen dat natuurervaringen de verbondenheid met de natuur in het algemeen versterken, en de bereidheid om in actie te komen voor de natuur en natuurbescherming versterken, en zo bijdragen aan een vorm van eco burgerschap (Ganzevoort 2021: 200, 265). We noemden al een aantal vormen van erfgoed die direct betrekking hebben op het beheren of ondersteunen van ecologische duurzaamheid, en het belang van de directe natuurervaringen en natuur betrokkenheid in het ontwikkelen van een duurzame levenshouding. Het is belangrijk voor een duurzame toekomst dat overheden en beleidsmakers zich van deze potentie van immaterieel erfgoed bewust zijn.   

Wat voorzitter van de Nederlandse UNESCO-commissie Kathleen Ferrier in 2021 stelde over klimaatadaptatie, geldt evengoed voor andere vormen van immaterieel erfgoed: 

‘Wanneer  klimaatadaptatie gestoeld is op lokale tradities en gebruiken, stelt het lokale gemeenschappen in staat om zelf het heft in handen te nemen en verandering in gang te zetten. Het helpt ook om burgers te laten meebeslissen over de aanpak van klimaatadaptatie, waardoor het draagvlak voor beleidsbeslissingen wordt vergroot’ (Nieuwsbrief UNESCO 2021).

 Transities 

Immaterieel erfgoed is dynamisch. Om in de toekomst te kunnen blijven bestaan, moet het doorlopend aangepast worden aan de veranderende omgeving. Dat betekent ook dat sommige vormen van immaterieel erfgoed zelf moeten verduurzamen om toekomstbestendig te worden.  

Voorbeelden daarvan zijn de zogenaamde vreugdevuren rond de jaarwisseling en de paasvuren. De verscherpte wet- en regelgeving betreffende de uitstoot van giftige stoffen en fijnstof die bij houtverbranding vrijkomen, vraagt om aanpassingen. In het geval van de vuren zijn, behalve de milieunormen, ook de veiligheidsnormen aangescherpt, mede na het uit de hand gelopen nieuwjaarsvuur op het Scheveningse strand in 2018. De verdroging van de grond als gevolg van klimaatverandering vormt een extra risico op brand bij paasvuren. De milieueffecten van dit soort evenementen worden in de toekomst alleen maar zwaarder meegewogen. Daarnaast zijn er verschillende beoefenaren die zelf een verandering in de uitoefening van hun erfgoed hebben ingezet, omdat ze inzagen dat de oude vorm niet meer te verantwoorden was in de huidige tijd. Opmerkelijk is, dat deze aanpassingen kunnen leiden van een exploitatie van de natuurlijke omgeving naar juist een bijdrage aan de bescherming hiervan. Zo zijn in Friesland de vroegere zoekers van kievitseieren, overgegaan tot het beschermen van de nesten van deze inmiddels bedreigde weidevogel. Dit roept ook de vraag op wat de kern van een traditie uitmaakt. In dit geval lijkt deze nu verschoven van het oogsten van de eieren, naar de verbondenheid met het weidelandschap en een gevoel van verantwoordelijkheid voor de kievitstand.

Opmerkelijk is, dat deze aanpassingen kunnen leiden van een exploitatie van de natuurlijke omgeving naar juist een bijdrage aan de bescherming hiervan.

Ook beoefenaren van ambachten moeten zich beraden op hun materiaalgebruik en eventuele afvalstromen. Soms kunnen restproducten op een innovatieve wijze worden verwerkt. Zo zullen in het AmbachtenLab Wol, dat het Kenniscentrum organiseert, enkele schaapsherders samenwerken met een ontwerpster. Met innovatieve methoden verwerkt zij de overtollige wol van de Nederlandse heideschapen tot nieuwe materialen (Bakels & Jaarsma, 2021, 53). De tweede doelstelling van het Kenniscentrum is daarom gericht op het ecologisch duurzamer maken van immaterieel erfgoed zelf. Wij doen hier participatief onderzoek naar en begeleiden beoefenaren die tegen bovengenoemde of soortgelijke uitdagingen aanlopen in het proces van transitie. Het is de bedoeling dat daarbij ook aandacht is voor de creatieve kansen die transitie biedt. 

Onze onderzoeksagenda (2021-2024) 

In de komende beleidsperiode gaat het Kenniscentrum – samen met erfgoedgemeenschappen en diverse academische partners – twee trajecten op het gebied van duurzaamheid uitzetten. 

In het ene traject helpt het Kenniscentrum immaterieel erfgoedgemeenschappen bij het verder verduurzamen (vergroenen) van hun immaterieel erfgoed. Er wordt geïnventariseerd welke uitdagingen en kansen er zijn en welke ervaringen erfgoedgemeenschappen al hebben met het verduurzamen van hun erfgoed. Welke delen van het erfgoed betreft het? Welke goede voorbeelden zijn er? Welke partners hebben erfgoedgemeenschappen nodig bij het verduurzamen van hun erfgoed?  

In het andere traject is er specifieke aandacht voor de vraag hoe immaterieel erfgoed (actief) kan bijdragen aan een ecologisch duurzame toekomst. Welke vormen van immaterieel erfgoed hebben een sterke duurzame component? Dragen deze vormen van erfgoed direct of indirect bij aan een biodiverse omgeving en een duurzame toekomst? Aan eco burgerschap? Waar bestaat deze impact precies uit?  Welke kennis en kunde betreft het?  

Hoe kunnen deze ondersteund en zichtbaarder gemaakt en ook breder ingezet worden? In welke netwerken is het immaterieel erfgoed ingebed en welke stakeholders spelen een rol? Hoe wordt in het erfgoed omgegaan met mens-natuurrelaties en onderlinge verbondenheid? Welke betekenis spelen de kennis en kunde van niet-menselijke aanwezigheden, in het bijzonder planten en dieren, en hoe vormen zij samen met mensen het immaterieel erfgoed? Wat kunnen we daarvan leren?

Tegen welke uitdagingen lopen de erfgoedgemeenschappen aan bij het uitoefenen, borgen en/of verduurzamen van hun erfgoed? Hoe kan het Kenniscentrum hen ondersteunen? Welke inspirerende voorbeelden zijn er die gedeeld kunnen worden – met andere erfgoedgemeenschappen, met het beleid, met het brede publiek? 

Er is gekozen om de vragen te beantwoorden door te focussen op vijf thema’s. Vooronderzoek heeft aangetoond dat in deze thema’s duurzaamheid een specifieke rol speelt: 

  • Dier en duurzaamheid. Kennis en kunde in transitie. Onder invloed van de klimaatveranderingen en de teruggelopen biodiversiteit zijn een aantal beoefenaren overgegaan van vissen, jagen en verzamelen tot inzet voor biodiversiteit. Hieronder vallen een aantal casussen, die deels ingeschreven (of nieuw zijn opgenomen) zijn in het Netwerk en de Inventaris zoals riviervissen, wilster- en ganzenflappen, imkerij en kievitsnesten zoeken, etc. 
  • Water en land. Traditionele kennis is door klimaatverandering en verschraling van de natuur opnieuw actueel en wordt ingezet voor duurzaam gebruik en beheer, zoals graslandbevloeiing, heggenvlechten, ambacht van molenaar etc. Op Bonaire is de regulering van regenwater via dammen en cisternen van groot belang.  
  • Stadslandbouw plus. Diverse vormen van voedsel en ander groen wordt aangeplant en verbouwd in en rond de stad. Van grond tot mond. Voorbeelden zijn stadse moestuinen, boerenmarkten, volkstuincultuur, guerrilla gardening, botanisch stoepkrijten, etc. 
  • Bomen als brandpunt van immaterieel erfgoed. Het is opvallend dat er tal van oude en nieuwe gebruiken rond bomen en bossen op de voorgrond treden, waar we nog weinig zicht op hebben.  Deze lijken een weerspiegeling van een hernieuwde invulling van onze verbondenheid met de natuur, en de rol van de boom daarbinnen. Voorbeelden zijn de koortsboom van Overasselt, tradities rond het ‘den halen’, en de ‘boom die alles zag’ in het Bijlmerramp monument. 
  • Aandacht voor het verduurzamen van het immaterieel erfgoed zelf. 

Producten

Het Kenniscentrum zal diverse producten ontwikkelen voor erfgoedbeoefenaars om hen in hun borging te ondersteunen. Daarnaast willen wij ons inspannen ‘groene’ vormen van erfgoed een breder podium te geven en o.a. beleidsmakers te informeren over en interesseren voor de positieve bijdragen die bepaalde vormen van immaterieel erfgoed kunnen leveren aan bewustwording, verantwoordelijkheidsgevoel, biodiversiteit en een klimaatrobuust landschap. Specifiek zullen worden ontwikkeld: 

  • Een brochure over de verduurzaming van immaterieel erfgoed als stimulans en inspiratie voor immaterieel erfgoedbeoefenaren. Met veel voorbeelden en ‘lessons learned’. Planning: publicatie zomer 2022. 
  • Een groeibrochure over ‘Dier en Duurzaamheid’ voor erfgoedbeoefenaren en overheden. Met inspirerende voorbeelden. Digitaal en gedrukt. Planning: digitale publicatie van een eerste versie in juni 2022, oplevering van de definitieve brochure in het najaar 2022. 
  • Een brochure voor overheden en belangstellenden over de wijze waarop immaterieel erfgoed, waaronder stadslandbouw, kan bijdragen bij het verduurzamen en de vergroening van de omgeving. Digitaal. Planning: 2021-2023 
  • Producten (o.a. seminars, internationale publicatie) die aansluiten bij het project ‘Water en land. Immaterieel erfgoed en duurzame ontwikkeling’ (werktitel) van het Centrum Agrarische Geschiedenis CAG. Planning: 2022-2024. 
  • Een verslag met lessons learned rond een nog verder te plannen samenwerkingsproject Immaterieel erfgoed en beheer van land en water in het Caraïbisch gebied en in Nederland. Planning: 2023 
  • Een digitale, misschien interactieve ‘bomen & immaterieel erfgoed’-kaart voor een breed publiek. In samenwerking met diverse bomen-organisaties. Misschien een expositie ‘Bomen en mensen’. Planning: 2023-2024 
  • Bijdrage/ontwerp lesmodule ‘Immaterieel erfgoed en duurzaamheid’ over genoemde terreinen, in samenwerking met het NatuurCollege, Wageningen. Planning: 2023-2024 
Stem van de erfgoedgemeenschap: Heggenvlechten

Het heggenvlechten is een ambacht waarbij vlechters bestaande heggen, meestal doornheggen, ondoordringbaar maken. De heggen dragen bij aan een duurzaam beheer van het landschap en tegelijkertijd bevorderen zij de biodiversiteit. Lex Roeleveld van Stichting Heg&Landschap:

‘Ecologische duurzaamheid staat centraal in het heggenvlechten. In de manier waarop we vlechten staat het maken van een zo aantrekkelijk mogelijke heg voor de natuur voorop. Robuuste, dichte en brede heggen – daar hebben zangvogels en egels veel aan. We promoten ook om nieuwe heggen aan te leggen en bij het aanplanten zorgen wij ervoor dat inheemse plantensoorten gebruikt worden. Daarbij gebruiken we zaad uit de regio. De planten zijn dan minder ziektegevoelig en bloeien op het juiste moment waardoor ze ecologische processen niet in de war schoppen.’

Van een onderzoekslijn over immaterieel erfgoed dat bijdraagt aan een ecologisch duurzame toekomst verwacht Lex Roeleveld: 

Als heggenvlechters onderschrijven we de gemaakte analyse volledig. Hij is op ons lijf geschreven. We beschouwen ons ambacht heel sterk als een levend ambacht dat we dienen aan te passen aan de behoeften van deze tijd. Het is meebewegen met de tijd om zo de toekomst vorm te geven. Een gevlochten heg blijft overigens net als vroeger een dichte, veekerende afscheiding, maar we stellen in de uitvoering nu biodiversiteit centraal. De eco-stijl in het heggenvlechten, als dát niet anno NU is. Dat is niet het enige. Een van de mooie aspecten van heggenvlechten is, dat de verhalen en het ambacht mensen zoveel plezier schenken en ze tegelijkertijd meer kennis en bewustzijn verschaffen. Dat laatste niet eens zozeer over het ambacht als wel indirect, over de rol van heggen inclusief de vaak eeuwenoude bomen die er in staan. Meer heggen planten voor de kwaliteit van onze bodems, herstel van biodiversiteit, schoonheid van het landschap en onze gezondheid, of hoe een betrekkelijk kleine erfgoedgemeenschap een geweldige bijdrage aan een meer biodiverse en duurzame toekomst kan leveren. Dat wil allemaal niet zeggen dat we geen behoefte aan ondersteuning hebben. We hebben veel baat bij ondersteuning in hoe we onze activiteiten het beste kunnen borgen. Onderzoek naar de bijdragen die heggen kunnen leveren aan onze toekomst is meer dan welkom. En tot slot is het van groot belang dat we een groter publiek bereiken en daarbij vooral belangrijke spelers zoals onderwijs, overheden, terreinbeheerders en bedrijven. Dat kunnen we niet allemaal zelf. Daarvoor zijn we te klein in aantal en hebben we ook niet alle expertise in huis. Dat zal niet alleen voor ons heggenvlechters gelden. Kortom, we zouden onze bezieling voor het ambacht en onze inzet voor biodiversiteit en klimaat heel graag versterkt zien door ondersteunend onderzoek. We kunnen wat dat betreft niet wachten om daarmee aan de slag te gaan. 

Samenwerking

Bij het onderzoeken van deze thema’s wordt samengewerkt met verschillende partners: 

Universiteiten Wageningen en Nijmegen 

Het Kenniscentrum onderhoudt contacten met diverse clusters en/of universitaire onderzoekers, die zich bezighouden met aan duurzaamheid en natuurbeleving gerelateerde thema’s. 

Aan de Radboud Universiteit te Nijmegen is binnen het Institute for Science in Society, het Centre Connecting Humans and Nature (CCHN) gesitueerd. Bij het CCHN wordt onderzoek gedaan naar mens-natuur relaties en allerlei vormen van verbondenheid tussen mens en natuur (zie www.ru.nl/cchn). Aangezien dit belangrijke thema’s zijn voor het denken over immaterieel erfgoed ligt samenwerking tussen het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland en het CCHN aan de RU voor de hand, zeker nu komende jaren ecologische duurzaamheid tot speerpunt is gekozen. De samenwerking zal liggen in het uitwisselen van kennis en contacten en het opzetten van gemeenschappelijke onderzoeksprojecten (van studenten). 

Aan de Universiteit Wageningen/Wageningen University and Research zijn contacten met onder andere Roel During, werkzaam op het terrein van Biodiversiteit en Beleid. Samen met opdrachtgevers, partners en stakeholders werkt het team Biodiversiteit & Beleid aan het realiseren van een robuust, duurzaam, leefbaar, rendabel en biodivers landschap.  Voor deze onderzoekslijn is interessant, dat in Wageningen onderzocht wordt hoe lokale culturen de bron vormen voor nieuwe omgangsvormen met de natuur. Beleid en wetenschap hebben de natuur in hoge mate gedecontextualiseerd. In de focus van het onderzoek - dat tevens rekening houdt met historische dimensies - staan nu processen van herinbedding die kunnen leiden tot nieuwe vormen van biodiversiteit.  

NatuurCollege, Wageningen 

Ook zijn er samenwerkingsplannen met het NatuurCollege, o.l.v. directeur dr. Paul Roncken, een netwerk van (hoger) onderwijsinstellingen en natuurbeschermingsorganisaties. Het NatuurCollege heeft tot doel de relatie tussen mens en natuur te onderzoeken en te versterken en koppelt daaraan een uitgebreid educatief programma, ontwikkeld voor een breed publiek. 

Het Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG), Leuven 

Het CAG is erkend als kenniscentrum en erfgoeddienstverlener voor agrarisch erfgoed in Vlaanderen en Brussel, en is daarnaast nauw verbonden met zusterorganisatie het Interfacultair Centrum Agrarische Geschiedenis aan de KU Leuven. CAG werkt samen met het Kenniscentrum in een meerjarig project waarbij de instituten onderzoeken en documenteren hoe specifieke vormen van immaterieel erfgoed een bijdrage kunnen leveren aan het versterken van ecologische duurzaamheid, toegespitst op het thema ‘water en land’. In het project worden de resultaten uit Vlaanderen en Nederland vergeleken, erfgoedgemeenschappen bij worden elkaar gebracht, en een lerend netwerk rond immaterieel erfgoed en duurzaamheid in Vlaanderen en Nederland wordt opgebouwd. Het project wordt momenteel voorbereid en gaat in 2022 van start. Deze samenwerking is niet alleen ingegeven door de jarenlange goede samenwerking en uitwisseling tussen beide organisaties. In Nederland en Vlaanderen bestaan op het vlak van (immaterieel) erfgoedbeleid, erfgoedzorgtrajecten en aanpak rond duurzame ontwikkeling veel gelijkenissen maar ook duidelijke verschillen. Deze nauwe verwantschap met toch duidelijke andere accenten en aanpak is een ideale voedingsbodem voor een stimulerende en inspirerende kennisuitwisseling in lerende netwerken.

Oproep 

Ben je geïnteresseerd in een van de onderwerpen? Of word je graag betrokken bij het onderzoek? 

Stuur dan een bericht naar kennisontwikkeling@immaterieelerfgoed.nl t.a.v. Jet Bakels of Sophie Elpers   

Alle rechten voorbehouden