Beschrijving

Een Goudse pijp wordt door een pijpenmaker gemaakt van speciale klei, die verpakt is in ‘broodjes’ van tien kilo. De benodigde hoeveelheid klei voor één pijp wordt tot een bal gerold en daarna wordt er een trechtermodel van gemaakt. De klei wordt in een mal gelegd en het rookkanaal wordt aangebracht. De complete persvorm gaat in de bankschroef. Om het gat te maken voor de tabak wordt de ‘stopper’ in een uitsparing van de persvorm gedrukt en wordt de verbinding gemaakt tussen het rookkanaal en de ‘ketel’. De kleivorm wordt uit de mal gelicht, de naden worden bijgewerkt en de pijp wordt voorzien van een merk. Als de pijp gedroogd is, wordt hij in een oven gebakken op ongeveer 1040 graden. Goede mallen zijn belangrijk, de klei moet van de juiste samenstelling zijn en de pijpenmaker moet de techniek van het rollen van de klei beheersen. Het uiterlijk van de Goudse pijp is afhankelijk van de gebruikte persvorm.

Beoefenaars en betrokkenen

Stichting De Goudse Pijp - onder leiding van Patrick Vermeulen - heeft als doelstelling het onder de aandacht brengen van de geschiedenis van de Goudse pijp en het nieuw leven inblazen van het ambacht. De stichting heeft contact met musea en scholen, geeft lezingen, organiseert andere activiteiten en wil cursussen pijpen maken organiseren. Daarnaast is er in Gouda nog één pijpenmaker, Dick van Maanen, actief. Het Sint Jorisgilde in Gouda organiseert jaarlijks een activiteit waarbij de Goudse pijpen letterlijk brandend worden gehouden. Het Goudse bedrijf De Drietand stelt steeds de oven beschikbaar voor het afbakken van de pijpen.

Geschiedenis en ontwikkeling

In 1606 kwamen Engelse huurlingen in Nederlandse krijgsdienst de verdediging van Gouda versterken. Zij leerden de Gouwenaars op kleine schaal het pijpen maken. Een steenhouwer, William Baernelts, heeft in 1617 het ambacht van pijpen maken geïntroduceerd. De na 1620 gemaakte pijpen begonnen een eigen karakter te krijgen: een buikige ketel, mooie afwerking en een vorm van versiering door streepjespatronen. In 1660 werd een gilde voor de Goudse pijpenmakers opgericht dat na vijf jaar 180 leden telde. In 1666 werd de eerste Goudse pijpenmarkt gehouden. In 1749 waren er in Gouda 349 werkplaatsen waar pijpen werden gemaakt. De vorm van de pijp veranderde gaandeweg, de wand van de ketel en de steel van de kleipijp werden door een betere kwaliteit en een verbeterde fabricagemethode dunner en de pijpenkop werd groter. Er werd in de loop der tijd meer tabak gebruikt omdat die goedkoper werd. De stelen werden langer, waardoor de rook minder heet in de mond kwam, waardoor het roken aangenamer was. In de negentiende eeuw kreeg de pijp flinke concurrentie van de sigaar. In 1853 waren er nog maar 13 bedrijven waar de Goudse pijp werd gemaakt en aan het einde van die eeuw was de Goudse pijp vrijwel verdwenen. Houten pijpen bleken beter te roken en waren niet zo kwetsbaar. Door de populariteit van de sigaret raakte pijproken verder uit de mode.

Contact

Stichting Pijpenmakerij De Goudse Pijp
C.G. Roosweg 15
2871 MB Schoonhoven
Zuid-Holland
Website